Karin van Veldhoven, schrijver van De Legende van het Moeras, debuut juli 2017 – www.karinvanveldhoven.nl

De magische fluit

Het stormt buiten. Slagregens slaan tegen de ruiten van een houten huisje. De wind giert door de schoorsteen heen naar binnen. Het gammele huisje van Jadal, de muziekinstrumentenbouwer uit Langeweg, schudt in de storm heen en weer, het dak kraakt en piept. Jadal ligt zwaar ademend op zijn rug in zijn hemelbed. De gordijnen rondom zijn bed hebben de beste tijd gehad. De mot heeft er een goed leven; het verkleurde doek is tot op de draad versleten. Jadals lange grijze haar ligt als een spinrag rondom zijn uitgemergelde gezicht. Hij weet het; hij moet blijven leven tot de zevende ster aan de hemel verdwijnt, dan mag hij sterven, dan mogen zijn dochters Parel en Amber op zoek gaan naar de verloren fluit. Om de beurt houden zijn dochters een wake; die nacht is het de beurt aan Parel om te waken. Ze leest een boek bij een flakkerend kaarslicht. Af en toe kijkt ze naar het vuur in de haard en port met een pook in het vuur, als het dreigt uit te gaan. Het vuur knettert en fonkelt. Vuurvonken vallen op het steen. Het is al ver na middernacht als de zevende ster aan de hemel zijn glans verliest. De zachte ster schijnt door het dunnen gordijn, recht in zijn gezicht. Jadal schrikt wakker en mompelt: ‘De zevende ster.’ Parel reageert direct op het geluid, schuift haar stoel weg en legt haar hand op het bed.

‘Is er iets met pappa?’ fluistert Amber, die wakker is geworden van het schuiven van de poten van de stoel over de stenen vloer. De meisjes leunen tegen de bedrand, met hun knieën op de koude vloer. ‘Pappa, wat is er?’ vraagt Amber bezorgd. ‘De zevende ster. Mijn ster verliest zijn glans en helderheid. Mijn tijd is gekomen. Ik vertel jullie de legende van het meisje met haar bijzondere fluit.’ De meisjes kennen het verhaal uit hun hoofd, maar toch laten ze hun vader zijn gang gaan. ‘Als ik straks gestorven ben, kunnen jullie eindelijk op zoek naar de fluit in het hooggebergte van Lava Magma. Om muziek te maken en de duisternis voorgoed te verjagen.’ Hun vader stopt even om op adem te komen. Dan gaat hij verder, zachter pratend. Zijn dochters buigen zich verder naar voren. ‘Ooit langgeleden leefden er zeven muziekinstrumentenbouwers in Langeweg. Ik was er een van, zoals jullie weten. In die tijd leefde ik gelukkig samen met jullie moeder en waren we dolblij toen jullie waren geboren. De muziek was het middelpunt van ieders leven. Er werd muziek gespeeld bij de start van elk seizoen, bij een geboorte en een overlijden, bij het binnenhalen van de oogst, bij voor- en tegenspoed in elk gezin. Iedereen wilde een fluit van ons, we waren beroemd om onze kunsten. Op een dag heeft een van ons een zeer magische fluit gemaakt. Een boerenmeisje heef toen die fluit gekocht en speelde prachtige muziek, samen met de andere muzikanten. Helaas kwam aan deze mooie tijd een einde door de verschrikkelijke watersnoodramp. Ons laagland werd geteisterd door een overweldigend onweer.

Bliksemschichten overal. De rivieren stroomden buiten de oevers. Veel mensen en dieren zijn verdronken; meegesleurd door de sterke stroming. Hoewel de ellende niet te overzien was, speelde het meisje toch op haar fluit. Hoe het precies gebeurde, weet niemand, maar door haar muziek ging de zon weer schijnen en werd het droog. Iedereen geloofde in de magische kracht van de fluit. Sindsdien vroegen de mensen haar om op elk feest te komen spelen en gaven haar al hun geld, in de hoop dat ze weer muziek zou maken. Alleen… zij gaf het geld aan de allerarmsten. Het volk hield meer van haar dan van hun koningin. Koningin Kyra haatte haar. Op een dag vertrok het meisje naar het bergdorp om een kinderliedje te fluiten voor een kind dat op sterven lag. Sinds die dag is zij spoorloos verdwenen. De geruchten gaan dat koningin Kyra haar heeft laten vermoorden, uit pure haat en hoogmoed. Met haar dood is de fluit verdwenen. De kracht van de muziek is verloren. Duisternis overviel ons. De zeven sterren hadden het zwaar in deze donkere, zware tijden. Door de creatie van de magische fluit hebben wij ons lot verbonden met de muziek. De afgelopen jaren is telkens een fonkelende ster aan de nachtelijke hemel verdwenen. Met het verdwijnen van de ster overleed een van mijn geliefde vrienden. Na ieder overlijden ging een dochter op zoek naar de bijzondere fluit, maar weinig meisjes kwamen terug, of waren zwaargewond. Gehavend. Het volk leed. Honger. Verdwijningen. Onderdrukking. De tirannie van Kyra werd heftiger, omdat haar drift naar meer macht, meer rijkdom steeds groter werd. Nu, na al die jaren, besef ik dat ik de magische fluit heb gebouwd. Geen enkel ander meisje heeft immers de fluit ooit gevonden. Mijn lot is jullie lot. Alleen jullie voelen de ware klank in je hart.’

Een traan druppelt op zijn ingevallen wang. De meisjes pakken zijn hand vast, leggen hun hoofd op de wollen deken en huilen zacht. Met zijn andere hand streelt hij hun hoofd. ‘Niet verdrietig zijn. Straks ontmoet ik jullie moeder weer. Ga nu en laat mij sterven,’ zegt hun vader zachtjes. ‘Nee, pappa, dat kunnen we niet,’ roepen ze vertwijfeld uit. ‘We laten je niet alleen!’ ‘Jawel, het moet. Ga! Dit is een bevel. Volg het pad langs de graanvelden, vervolg de route door de bossen van Mattemburgh en dan ga je naar het hooggebergte.
Daar, in het gebergte ligt de fluit. Ga nu. Mijn dood zal snel bekend worden en dan zit Kyra achter jullie aan. Nu hebben jullie nog een voorsprong.’ Parel denkt pijlsnel na en knikt vastberaden. ‘Je hebt gelijk,’ zegt Parel met tranen in haar ogen, terwijl ze opstaat. Ze kust haar vader gedag. Ook Amber staat op, weliswaar met tegenzin en zegt: ‘Een goede reis en weet… wij vinden jouw fluit!’ Een laatste kus. De meisjes verlaten stilletjes de slaapkamer zonder nog een keer achterom te kijken. Parel zadelt de paarden, terwijl Amber brood, kaas en een waterkruik meeneemt. ‘Misschien is het handig om dit touw mee te nemen,’ fluistert Parel. Amber knikt en trekt haar dikke jas aan. Het pad langs de graanvelden kennen ze als hun broekzak en rijden in galop. De regen is opgehouden en de wolken drijven weg. De zevende ster verliest meer en meer zijn glans. Ze slaan het bospad in en op datzelfde moment dooft de zevende ster. Het is pikdonker. De zusjes huilen zacht; hun vader is overleden. ‘We mogen niet treuzelen. Kyra stuurt haar zwarte ridders achter ons aan,’ zegt Parel en geeft haar bruine merrie de sporen. Het bos wordt dichter en dichter. Het pad is lastig begaanbaar in het donker. De takken van de lange bomen hangen gevaarlijk over het pad. Ze rijden stapvoets verder; ze praten niet; ze zijn met hun gedachten bij hun overleden vader. Tranen prikken in hun ogen. Struiken blokkeren de weg. Dode boomstronken liggen over het pad dat modderig en glibberig is door de diepe plassen. Behoedzaam leiden de zusjes hun paarden door het struikgewas. Steeds dieper dringen ze de bossen in. Steeds moeilijker gaat de weg, tot ze niet meer verder kunnen. Amber rijdt voorop en moet afstijgen. ‘We kunnen niet verder,’ hijgt ze, ingespannen van het rijden. ‘Het pad is zo overwoekert. Wat nu?’ Haar zus stijgt ook af en luistert aandachtig of ze iets hoort. De vogels fluiten niet. Geen geritsel van bosmuizen of de oehoe van de uil. Het is doodstil, alsof de dieren weten wat er komen gaat. ‘Ik hoor de soldaten niet. Laten we eten,’ zegt Parel op gedecideerde toon. ‘De paarden zijn moe. Ze hebben rust nodig. We vinden wel een doorgang.’ Amber neemt een hap van haar brood en gilt onthutst bij het zien van een onooglijk klein, dik mannetje vlak naast haar voeten. De lilliputter glimlacht. ‘De gezusters Parel en Amber. De dochters van de beroemde muziekinstrumentenbouwer Jadal. Jullie zijn de laatste dochters die het lot aanvaarden en op zoek gaan naar de fluit. Kyra is bezig haar soldaten te verzamelen. Wees op jullie hoede. Ik geef jullie een dolk. Met de dolk tik je op de takken en de weg wordt vrij gemaakt. Houd links aan op de paden en dan kom je vanzelf bij de bergpas. Luister naar de muziek in de bomen. Ga nu, meisjes. De zwarte ridders zijn snel.’ Parel neemt de dolk aan van de kleine man. ‘Dank u wel voor uw goede raad. Veel sterkte als de ridders uw bos verwoesten,’ zegt ze. ‘Maak je geen zorgen om ons, jonge dame. We zijn ze wel gewend,’ zegt de lilliputter bitter. Amber geeft de man een deel van haar brood en neemt afscheid. ‘Jullie zijn goed. Beter dan die anderen,’ fluistert hij dankbaar en verdwijnt met rappe schreden tussen de struiken. ‘Wat zou hij bedoelen?’ vraagt Amber, ‘Met Jullie zijn goed. Beter dan die anderen?’ ‘Ik denk dat de andere meisjes misschien niet zo goed geluisterd hebben. Weet je nog, hoe gehavend sommigen zijn teruggekeerd,’ zegt Parel en tikt met haar dolk zacht op een overhangende tak. Langzaam rijdend trekken ze door het dichte bos. Telkens slaat Parel zachtjes met de dolk op de struiken en takken; de weg wordt inderdaad vrijgemaakt. Dan begint het ineens hard te waaien en te plenzen. De takken van de bomen zwiepen in de lucht. Ergens in de verte dondert het. De temperatuur daalt. De meisjes rillen in hun dikke jas. Hun handen worden koud en stijf. Plotseling herinnert Amber zich de woorden van de lilliputter. ‘Parel, misschien moeten we zachtjes op het ritme van de wind neuriën. De dwerg zei niet voor niets dat we naar de muziek in de bomen moeten luisteren.’ ‘Je hebt gelijk. Een lied leidt ons af van de koude en de regen,’ roept Parel enthousiast. ‘Laten we zingen, maar niet te hard, want anders horen de zwarte ridders ons.’ Ze zingen tweestemmig de oude liedjes van hun ouders. Op datzelfde moment stopt de regen net zo snel als het gekomen is. De takken van de bomen bewegen niet meer. Een helder maanlicht schijnt op het pad. Ze komen uit op een splitsing en slaan linksaf. Na een kleine tien minuten doemt het hooggebergte voor hun neus op. Ze gillen van schrik; hun paarden steigeren, zetten hun benen terug op de grond met hun staart tussen de benen, in angst wachtend op een commando. De bergpas is steil en modderig. Zwarte donkere aarde en stenen rollen rap de bergpas af. ‘Weet je zeker dat dit het juiste pad is,’ huivert Amber en schudt haar schouders. ‘Zeker weten, we hebben telkens links aangehouden. Dit moet de bergpas zijn. Kom op, het eerste stuk doen we te voet. Als we het steilste stuk hebben gehad, gaan we weer rijden,’ zegt Parel dapper. ‘Ok. Dat moet dan maar,’ zegt haar zusje met lichte tegenzin. Ze trekt stevig aan de teugels. Het paard stribbelt tegen, maar met zachte lieve woordjes krijgt Amber haar paard boven. Eenmaal boven gaat het pad vals plat omhoog. Ze horen het geschreeuw van soldaten, het gekletter van zwaarden en driftig hoefgetrappel van de paarden. Scheldwoorden klinken door de nacht. ‘Zou het wel goed gaan met de dwergen?’ vraagt Amber en voelt haar hart bonken. ‘Ik denk het wel. Kijk maar. De bomen en struiken sluiten ze in! Kom op. We hebben nog steeds een voorsprong,’ stelt Parel haar zusje gerust. ‘Ha, dat is supercool!’ grinnikt Amber nu. Met hernieuwde moed gaan ze verder en ze draaien hun paarden het pad weer op. Halverwege de smalle weg zien ze een vrouw gekleed, precies zoals hun moeder, midden op het pad stilstaan: een lange fleurige rok met een lijfje van wit katoen. Ze is blootvoets. Parel en haar zus houden hun paarden stil. ‘Gegroet, Vrouw van het Bergvolk,’ begroeten de meisjes haar eerbiedig en buigen het hoofd. Ze worden blij bij het zien van de vrouw, want hun moeder stamde ook af van het bergvolk. Maar ze is bruut omgebracht door Kyra’s zwarte ridders. Gewoon, omdat ze met haar toverkruiden een vrouw in barensnood hielp.

 

Onverwacht verschijnen meer vrouwen en gaan in een kring om hen heen staan. ‘Parel en Amber, dochters van Isabella, de vrouw van Jadal, Onze dierbare vriendin laat jullie groeten. Wij missen haar nog elke dag. Graag geven we jullie haar toverstaf. Steek hem in de lucht en het licht zal schijnen. Luister naar de muziek in je hart en je zal de fluit snel vinden. Ga nu, want het dwergvolk kan de zwarte ridders niet langer tegenhouden,’ zegt de vrouw en overhandigt Amber glimlachend de toverstaf. ‘Hartelijk bedankt voor uw mooie woorden,’ fluistert Amber dankbaar. Dan denkt Parel aan de kapotte loopbrug een eindje verderop en aan het touw dat ze hebben meegenomen. ‘Hier, voor u, pak dit touw aan… om de loopbrug te herstellen.’ ‘Jullie zijn goed! Ga nu,’ roept de heksenvrouw en klopt zachtjes op de flanken van het paard. De meisjes geven hun paarden de sporen. Amber houdt de toverstaf recht voor zich uit en een lichtbundel verlicht het modderige pad. In de verte horen ze de soldaten, ze komen snel dichterbij. ‘Opschieten, paardje,’ roept Parel opgewonden ‘Ze komen eraan! We moeten ze voor blijven.’ Nog harder galopperen hun paarden. Ook zij voelen de dreiging van de zwarte ridders. ‘Waar is de grot? Waar is de fluit van papa?’ schreeuwt Amber die bij elke stap zenuwachtiger wordt. Opnieuw beginnen ze te zingen. De zeven sterren van de instrumentenbouwers schitteren in het donker en wijzen de meisjes de weg. ‘Amber, kijk. De sterren wijzen ons de weg!’ roept Parel opgelucht. ‘We moeten daarheen, daar… tussen de struiken door!’ wijst Amber. ‘Daar schijnt het licht.’ Terwijl ze de grot naderen, razen de soldaten achter hen aan. Doelbewust en vol van haat leidt Kyra haar soldaten naar de meisjes toe. Haar krijsende stem schalt door de lucht.
‘Laat ze niet ontsnappen, stelletje nietsnutten!’ gilt ze, terwijl ze met haar zweep het paard nog meer pijn doet. De meisjes volgen de sterren en worden ontroerd door het heldere licht, denkend aan hun vader rijden ze vol goede moed verder. Dan zien Parel en Amber de verlichte grot, springen van hun paard en rennen de grot in. Eenmaal binnen houdt Amber de toverstaf weer recht omhoog. Parel speurt de grot af, duikt achter rotsblokken en neuriet een wiegeliedje. Haar zus zingt mee. ‘Parel, hier zijn we nog niet geweest,’ zegt Amber en trekt haar zus vastbesloten dieper mee de grot in. Ze rennen door een smalle gang. Ze moeten stoppen; ze kunnen niet verder, want ze zijn in een kleine ruimte aangekomen. Het is er koud en guur. De zwarte grond is bezaaid met verband hout en as. ‘Volgens mij zijn de andere meisjes hier ook geweest,’ fluistert Parel zenuwachtig. ‘Het kan niet anders. Zie je de tekeningen op de wand. We moeten de fluit vinden! Kyra komt hierheen. Hoor je ze ook?’ Parel ijsbeert door de grot, struikelt over een takkenbos en valt op haar knieën en handen.

Ze gilt van schrik. Amber tilt haar zus voorzichtig overeind. In het schijnsel van het licht ziet ze de fluit liggen, verstopt tussen het hout en de as, achter een rotsblok. Plotsklaps laat ze haar zus los en roept opgetogen: ‘Parel, hier! Kijk nou!’ Vol trots houdt ze de fluit in haar handen. ‘Oh, Amber, we hebben hem,’ roept Parel en tranen van vreugde biggelen over haar wangen. Ze grijpen elkaar vast en maken een rondedansje. Lachend draaien ze zich om en willen wegrennen, maar Kyra blokkeert met enkele soldaten de uitgang. ‘Geef die maar aan mij,’ beveelt Kyra hooghartig en steekt haar hand naar voren, gewend om altijd haar zijn te krijgen. De meisjes schrikken zichtbaar, maar ze herstellen zich snel. ‘Geen denken aan! Deze fluit is van onze vader,’ roepen ze dapper. ‘Jullie durven mij tegen te spreken! Hebben jullie dan niks geleerd? Al die anderen heb ik vermoord. Grijp ze!’ roept Kyra met een boosaardige klank in haar stem. Soldaten benen als een front naar voren, maar de meisjes zijn snel en wurmen zich met al hun kracht tussen de sterke mannen door. Kyra gilt van frustratie en stampt driftig op de grond. ‘Grijp ze dan, sufkoppen!’ Pijlsnel rennen ze door de smalle gang naar de grotere ruimte. Daar staan de andere ridders met hun zwaarden in de aan slag, maar buiten hebben de dwergen zich verstopt tussen de struiken, in spanning wachtend. Ze zijn de troepen gevolgd en hebben de zeven sterren zien stralen op het moment dat Parel en Amber de fluit in hun handen hadden. ‘Speel! Speel, zing!’ roepen ze opgetogen. Verdwaasd draaien de ridders zich om, ze hebben de dwergen niet gehoord, zo druk zijn ze geweest.

‘Jij speelt en ik zing,’ brult Amber boven de woedende Kyra uit. Terwijl de meisjes muziek maken, trekken de dwergen met hun krachtige zwaarden ten strijde. Het gevecht is begonnen. ‘Dit is een kinderspel,’ schreeuwt Kyra en doodt een lilliputter in een fractie van een seconde met haar zwaard. Maar Kyra vergist zich lelijk. De muziek van de meisjes geeft de dwergen vertrouwen, want de hemel breekt open. De grijze wolken drijven weg, de zon begint te schijnen. Overal komen mensen met zwaarden, dolken en speren tevoorschijn, alsof ze allemaal gewacht hebben op dit ene moment. Eindelijk zijn ze verlost van de duisternis. De mannen van het bergvolk, de dwergen en de mensen uit het laagland trekken samen op en vechten dapper tegen de zwarte ridders.
Parel en Amber zien hun kans schoon en glippen de grot uit. Ze dansen de bergpas naar beneden af, met achter hen aan de kinderen uit de bergdorpen met fluiten en trommels. Vrolijke muziek klinkt, mensen lachen en dansen. Het feest is losgebarsten.
En Kyra? Kyra vlucht weg, de bergen in, om nooit meer terug te komen.

Wil je reageren? Dat kan! Ik hoor jou graag.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Name *