Dit korte verhaal heb ik verzonnen samen met de kinderen van unit 2 (groep 3 en 4) van Het Palet in Bergen op Zoom
Lees je mee?

Bert en Bart, Elsa en Anna en de gestolen snoepjes

Gisterennacht is een dik pak sneeuw gevallen. De achtertuin van Bert en Bart is een grote witte wereld.
‘Nou, jongens, trek je sneeuwlaarzen aan en veeg het terras schoon,’ roept hun moeder ongeduldig. Mevrouw van Zon heeft een hekel aan sneeuw. Ze vindt het een vieze derrie. De sneeuw moet altijd meteen van het terras worden weggeveegd, anders kan ze niet normaal naar de schuur. Bert pakt zijn dikke schoenen van de kachel en al aantrekkend en struikelend over zijn voeten komt hij bij de achterdeur. Zijn broer is allang buiten en heeft de sneeuwschep in zijn handen. Hij wil net beginnen met scheppen als zijn buurmeisjes, Elsa en Anna, over de schutting kijken.
‘Komen jullie helpen?’ vraagt hij.
‘Wij zijn al klaar. We komen helpen,’ zegt Elsa. Haar zusje loopt mokkend achter haar aan. Haar voeten zijn nat en koud. Haar handen voelen als ijspegels. Inmiddels heeft Bert een grote bezem uit de schuur gehaald.
‘Wat is er met jou, Anna? Wil je mij niet helpen?’ vraagt Bert en gooit plagerig een sneeuwbal naar haar. Anna gilt van schrik en gooit een sneeuwbal terug. Bart en Elsa scheppen de sneeuw aan de kant.
‘Hé, Bert, help eens een handje. Het is echt veel,’ zucht Bart. Bert knikt en schuift de sneeuw aan de kant. Nu kan Anna niet meer achterblijven. Met zijn viertjes scheppen ze alsof hun leven ervan afhangt. Ze krijgen het warm in hun dikke jassen. Als alle sneeuw is opgeruimd, lossen de stenen plotseling op en er verschijnt een diep, donker gat. Het is een tunnel die lijnrecht naar beneden gaat. De kinderen deinzen van schrik achteruit. De jongens kijken naar het huis om te zien of hun moeder iets in de gaten heeft, maar zij is druk aan het bellen. Anna schuift meteen sneeuw in het gat, maar het haalt niets uit. De sneeuw stuift weer uit het gat omhoog en valt op de hoge sneeuwhoop, vlak naast het konijnenhok.
‘Een tunnel,’ hijgt Bert.
‘Ja, dat zie ik ook wel,’ zegt zijn broer.
‘Waar zou het naartoe gaan?’ vraagt Elsa nieuwsgierig en gaat op haar knieën zitten. Ze hangt met haar hoofd en schouders over de rand van het gat heen.
‘Hallo, wie is daar!’
Opeens hangt er een laddertje van touw met smalle treden naar beneden. Door de wind beweegt het gevaarlijk heen en weer.
‘Wie gaat ermee?’ vraagt Elsa. De jongens lachen. Dit hoeft Elsa hen niet te vragen, ze houden wel van een avontuur.
‘Nou, Elsa, ik weet het niet, hoor,’ sputtert Anna. ‘Moeten we mamma niet even roepen.’
‘Ben je gek. Die is toch alleen maar haar nieuwe boek aan het schrijven. Je weet toch dat we haar dan niet mogen storen.’
Elsa legt een arm over de schouders van haar zusje. Anna wil huilen, maar doet het niet. ‘Kom je mee?’ vraagt Elsa. Anna knikt en gaat toch maar als eerste. Ze laat zich zakken en houdt met haar handen de rand stevig vast. Haar benen bungelen heen en weer. Ze gilt.
‘Je moet je voeten op een tree zetten,’ roept Bart geschrokken. Hij pakt haar benen vast en helpt zijn buurmeisje. Al snel dalen ze allemaal af. Er waait een koude wind in de schacht en de ladder beweegt flink. Ze zwiepen van links naar rechts. Ze gillen als een vleermuis voorbijschiet. Bert knalt met zijn schouder tegen de koude muur en laat van schrik het touw los. Hij valt schreeuwend naar beneden. Door zijn val heeft hij zijn broer en vriendinnen meegesleurd. Overal weerklinkt hun bange geschreeuw. Aan het eind van de tunnel komen ze in een oude grot terecht. Het is er stikdonker en overal vliegen vleermuizen rakelings over hun hoofd. Ze staan uit te hijgen van alle schrik en grijpen elkaars handen vast.
‘Dit is toch minder leuk dan ik dacht,’ piept Elsa.
‘Eh… jongens. Wat zijn dat,’ wijst Anna. Uit de grot sluipen tijgers hen dreigend tegemoet. Achter de tijgers stijgen levensgrote dinovogels op. De vogels vliegen hard door de grot en proberen met hun scherpe poten de kinderen op te tillen. Zelfs Bert en Bart schreeuwen van angst en kunnen net op tijd wegduiken.
‘Jullie zijn toch Elsa en Anna,’ schreeuwt Bert.
‘Jullie hebben toch magische krachten,’ roept zijn broer.
‘Doe niet zo idioot,’ gilt Elsa.
‘We moeten iets doen! We moeten ze bang maken,’ roept Anna. Ze zoekt iets waarmee ze kan zwaaien, grijpt een stok van de grond en beweegt met veel geschreeuw naar de dinovogels. Anna weet eigenlijk niet goed wat ze doet, maar de dinovogels bevriezen en vallen dood op de grond.
‘Ik heb echt magische krachten,’ fluistert ze verbaasd. Bart slaat haar op haar schouder en zegt: ‘Het is je gelukt! Wij moeten ook van die stokken vinden.’
‘Dat hoeft niet meer, Bart. Kijk maar. Die tijgers zijn geschrokken van Anna. Ze slaan op de vlucht,’ zegt Bert. ‘Gaan jullie mee? Daar is het licht, zien jullie dat?’
Snel rennen ze door de grot naar buiten. Een vulkaan is losgebarsten. Tussen de vallende stenen en de hete lava klimt een draak omhoog. Hij spuwt vuur en klappert gevaarlijk met zijn vleugels.
‘Bert, Bart, Elsa en Anna,’ horen ze een schorre stem hun naam roepen. ‘Klim op zijn rug. We hebben jullie hulp nodig.’ De draak loopt, schuddend met zijn vleugels, naar hen toe. Lava valt van zijn rug en vleugels af.
‘Toe, help ons,’ klinkt een meisjesstem beverig. ‘Koning Tandarts heeft al onze snoepjes gestolen. En nu hebben we geen snoep met kerstmis.’
Uit de struiken komen twee kinderen tevoorschijn. ‘Asjeblieft?’
‘Eh…,’ zegt Bart, ‘wat doen we nu?’
‘Met die draak mee natuurlijk!’ zegt Bert en klimt razendsnel op zijn rug. Bert trekt Anna op de draak. Al gauw zitten Bart en Elsa achter de vleugels. De draak neemt een aanloopje en vliegt omhoog. Diep in het bos zien ze de kantelen van een oud kasteel.
‘Het kasteel van die koning Tandarts,’ zegt Elsa. ‘Kijk daar, hij staat boven op de toren!’ Naast koning Tandarts staan vier skeletten die een bladblazer vasthouden. Uit de bladblazers vallen snoepjes.
‘Ik zie de snoepjes,’ schreeuwt Bert. ‘Zet ons neer, draak. Wij zijn de ninja’s!’
Bert en Bart springen van zijn rug en nog voordat koning Tandarts iets kan zeggen, springen en draaien de jongens als echte ninja’s omhoog. ‘Ninja, go!’
Met hun voeten schoppen ze de skeletten van de toren af. Botjes vliegen in het rond. Anna zwaait nog maar eens met haar stok naar koning Tandarts.
‘Snoepjes zijn slecht voor je tanden,’ schreeuwt hij boos. Maar niemand hoort hem, want hij is bevroren. Bert, Bart, Elsa en Anna pakken de bladblazers en drukken op een knopje. Het regent lolly’s, winegums, zoete en zoute drop, veterdrop, kauwgom, zuurstokken, chocoladeletters, schuimpjes, toffees en toverballen in allerlei kleuren naar beneden. Onderaan aan het kasteel gaat een gejuich op. Kinderen springen op en neer van plezier en vangen de snoepjes op. Als hun bladblazer leeg is, vliegen ze ineens omhoog en vallen met een knal in de achtertuin van Bert en Bart. Naast hen valt een zak met snoep.
‘Bert en Bart, wat voeren jullie nou weer uit?’ roept mevrouw van Zon.
‘Niks, mam. Er is niks,’ lachen ze en maken de zak open.

Wil je reageren? Dat kan! Ik hoor jou graag.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Name *