De Regenboog

Hoog in de lucht tussen de zon en de wolken dreef een plateau van een dikke aardkorst. Het volgde de luchtstroom van wolken, regen, droogte en licht. Soms hing het tussen de wolken en dan weer net ernaast en een andere keer eronder. Het hing af van de stand van de zon en uit welke richting de zonnestralen schenen. Op het plateau groeide loofbomen, en gras, in het noorden stond een landhuis en in het westen was een vallei met bloemen die de kleuren hadden van de regenboog.


‘Waar ga je naartoe, Geel?’ vroeg Blauw. Ze stonden op een open plek van het plateau. Ze waren op weg naar het noorden. Ze volgden de seizoenen van de aarde en zwierven van het oosten naar het noorden en van het westen naar het zuiden. Al 100 jaar. Geel deed net alsof ze hem niet hoorde en stapte verder, met haar harige hand beschermend over de sluiting van haar schoudertas die uit zichzelf toch bewoog.
‘Wat heb je in je tas?’ vroeg Blauw, die niets ontging. Zijn flapoortjes bewogen terwijl hij achter haar aan liep.
‘Niks,’ loog Geel.
‘Jawel. Je verbergt iets,’ zei Blauw en trok aan haar magere gele arm. Geel hield haar tas stevig vast, maar ze kon niet voorkomen dat er een hoge piep klonk. Blauw deed geschrokken een stap achteruit en riep: ‘Er zit een rat in! Wat moet jij met een rat?’
‘Ik heb geen rat. Waarom zou ik?’ riep Geel. Maar Blauw kende haar langer dan vandaag en zag aan haar schichtige blik in de ogen dat ze bang was. Hij liet haar los en trok slechts zijn wenkbrauwen op, in de hoop dat Geel zou toegeven. Maar ze gaf geen kik en hield de tas
nog steeds tegen haar bolle, harige buikje gedrukt.
‘Je weet toch dat ze je opvreten. Je kaal plukken. Je mooie, gele vacht uiteen scheuren met hun tandjes?’ praatte hij op haar in. Het werkte.
‘Deze niet,’ fluisterde Geel. Ze maakte de gespen los en tilde het flapje van de schoudertas op. Blauw zag een trillend ratje in de tas zitten; hij piepte en dook in elkaar. Gebiologeerd staarde hij naar het bruine ratje, dat hem angstig aankeek. Eigenlijk was het helemaal niet zo’n eng beest. Maar ja, deze was klein en weerloos. Blauw glimlachte flauwtjes naar Geel.
Ze pakte de rat uit de tas en liet hem op haar hand zitten. Ze hadden niet in de gaten dat Oranje tussen het hoge gras slenterde en nu recht op hen afkwam.
‘Wat heb je daar?’ vroeg Oranje.
Blauw tilde zijn kleine, ronde hoofd omhoog. Hoewel hij met zijn 1,5 meter niet groot was voor een mens, torende hij boven de andere twee uit; hij was breder en sterker. Hij was niet voor niets de leider van het regenboogteam. Hij was slim en goed gebekt.
Alleen, er waren dingen veranderd…
Sinds 2 jaar bestierde een andere zwart-witte tovenaar het plateau. Hun vorige tovenaar was door een noodlottig ongeval van het plateau gevallen; ze konden hem niet meer redden. Hij was in een rotgang naar beneden gevallen. Blauw en zijn maatjes waren intens verdrietig geweest. Dat verdriet verdween onmiddellijk met de komst van de nieuwe tovenaar. Blauw liet zich niet de kaas van zijn brood eten, maar onderhandelen met de nieuwe tovenaar was andere koek. Het kostte Blauw meer moeite om hem te overtuigen dat ze meer verfkorrels nodig hadden om de regenboog te maken. De zwart-witte tovenaar
bepaalde hoeveel kleurenkorrels de regenboogmannetjes en -vrouwtjes kregen elke maand.
En als de zon wegbleef, op het moment dat het regende, dan werden hun kruiken helemaal niet gevuld. Het kwam voor dat ze maanden met een halflege kruik zaten. Mocht het dan opeens wél regenen en de zon schijnen… nou dan kwamen ze niet verder dan een halve
regenboog. Of zo’n flauwe, een neppe, met weinig kleur.
Geel, Oranje en Blauw gingen maar in het gras zitten en zeiden niets.
Blauw dacht na; deze situatie was nieuw voor hem. Oranje keek bezorgd naar Geel en vroeg zich opnieuw af wat er met haar aan de hand was. De laatste weken was ze somber en stilletjes. Meestal was ze wel te vinden voor een lolletje. Geel aaide het ruggetje van de rat en suste hem. Ze had hem op een nacht tijdens haar dwaaltochtjes in de vallei gevonden. Hij
was zijn moeder kwijtgeraakt in het hoge gras en stierf van de honger; hij had klaaglijk gehuild. Geel had te doen gehad met het jonge ratje en het meegenomen. Nu was het tijd dat ze het terugbracht naar de Vallei van Kleur.
‘Ga,’ fluisterde ze en zette de rat in het gras. Even keek hij haar dankbaar aan en schoot toen weg. Geel keek hem met een trieste blik na, ze had genoten van zijn gezelschap, hij kon gezellig kletsen. Terwijl zij zo bij elkaar zaten, kwamen Groen, Rood en de tweeling Paars en
Violet hand in hand aangehold. Ze hijgden van het rennen en zwaaiden opgewonden met hun armen. Doordat ze renden, waaiden de losse haartjes uit hun vacht als pluisjes in het rond. Het gras lag in korte tijd bezaaid met groene, rode, paarse en violette kleurtjes. Het
was een lust voor het oog. Maar niemand lette op de kleurenpracht, ze waren met hele andere dingen bezig.
‘Er is een ramp gebeurd!’ riep Rood. ‘Ik zag de zwart-witte tovenaar. Hij takelde met een touw iets zwaars omhoog!’
‘Hoe bedoel je?’ vroeg Oranje.
‘Ik weet het niet goed. De zon scheen recht in mijn gezicht. Er flikkerde iets,’ zei Rood.
‘Ik weet het wel,’ zei Geel zacht.
Groen keek haar waarschuwend aan en schudde zijn hoofd. ‘Nee, Groen. We moeten het vertellen! We kunnen niet wachten,’ zei Geel. ‘Straks is het te laat.’
‘Wat heb je gezien?’ drong Rood aan, die Groen geen blik waardig keurde. Hij haatte geheimzinnig gedoe. Groen kon soms alleen maar bezig zijn met harmonie en veiligheid. Er was hier iets gaande op het plateau. Zelfs Blauw was nieuwsgierig en die wist altijd alles.
Geel verschoot van kleur en een rode gloed straalde over haar gele vacht, die oranje strepen achterliet.
‘Wat is er aan de hand?’ gniffelde Violet en keek naar Groen. ‘Wat doen jullie saampjes?
Bloeit hier liefde op?’
‘Hou op! We hebben geen tijd voor gezemel,’ zei Rood.
‘Tut, tut. Hou jij je mond,’ nam Paars het voor haar zusje op. Violet stak plagerig haar tong uit naar Rood. Het regenboogmannetje moest tegen wil en dank grinniken. Ruzie maken was niets voor hen.
‘Sinds Geel de rat heeft gered, zwerven we ‘s nachts door de Vallei van Kleur. We vullen onze kruiken met korrels,’ zei Groen. ‘Ook die van jullie.’
‘Ik wist het wel,’ zei Oranje en grinnikte tevreden. ‘Volgende keer ga ik mee!’
Blauw glimlachte slechts.
‘Jij wist dit?’ vroeg Paars verontwaardigd aan Blauw. Het was verboden om ’s nachts in de vallei te zwerven. Het was überhaupt verboden er te zijn. Het was het terrein van de zwartwitte tovenaar. Er slopen ratten rond die de bloemen bewaakten. Als je toch gesnapt werd,
werd je rattenlunch.
Voordat Paars weer iets zou kunnen zeggen, nam Geel het woord. Onwillekeurig greep ze de hand van Groen vast.
‘We hebben besloten weg te gaan,’ flapte ze eruit. Iedereen begon te roepen en te schreeuwen van verbazing, totdat Blauw ingreep en driftig met zijn arm zwaaide.
‘Ophouden nu! Laat ze praten!’ zei hij. Hun vriendjes gingen weer zitten en schudden vol ongeloof hun hoofd. Weggaan was een doodzonde. In al die 100 jaar hadden ze nog nooit hun taak verzaakt.
‘Wat jij hebt zien flikkeren, Rood, was metaal,’ legde Groen uit. ‘De zwart-witte tovenaar vervangt ons voor robotjes.’
‘Weet je het zeker?’ vroeg Rood ineens onzeker.
‘De kleine rat heeft het ons laten zien. De hele kelder van het landhuis staat vol met van die metalige mannetjes,’ zei Geel.
‘Jullie zijn in de kelder geweest van het zwart-witte landhuis? Vet!’ zei Oranje onder de indruk.
‘Hij gaat ons vervangen, idioot! Dat is niet vet,’ zei Violet en haalde een hand langs haar ogen. Haar mooie vacht werd vochtig.
‘Nee, natuurlijk niet, maar we moeten hier zo snel mogelijk weg. Ik moet zeggen… ik ben het wel zat. Ik maak nu al 100 jaar een regenboog,’ zei Oranje. ‘Het wordt tijd voor verandering.’
‘Precies,’ zeiden Geel en Groen tegelijk. ‘Naar beneden. De kinderen van de aarde blij en gelukkig maken met kleur.’
Rood begon te kuchen van de zenuwen. Dit was wel heel iets anders. Iets nieuws. Kon hij dat wel? Creatief zijn? Steels keek hij naar Blauw. Wat ging hij doen? De tweeling kroop angstig tegen elkaar aan, de meisjes stonden niet bekend om hun flexibiliteit. Zij wilden altijd alles
eerst overdenken en mediteren op een hoge berg. Dat kon soms weken duren.
Maar nu werd er actie verwacht. Zoals gewoonlijk nam Blauw het initiatief. Hij moest zichzelf en zijn maatjes in veiligheid brengen.
‘Als we worden vervangen, dan moeten we gaan,’ zei Blauw zacht. ‘We hebben genoeg kleurenkorrels voor de komende 100 jaar.’
‘Weg?’ piepte de tweeling. ‘Nu?’
Blauw knikte en trok hen overeind. ‘We zijn samen, niet alleen.’
Op dat moment hoorden ze het gestamp van laarzen. Ze schrokken toch, ook al herkenden ze zijn ferme stap uit duizenden. De zwart-witte tovenaar boog zich grijnzend over hen heen en mepte pesterig met zijn witte hand op hun hoofd. Hij draaide zich om en gebaarde
ongeduldig met zijn zwarte hand naar een blauw robotje achter hem, die hem braaf volgde.
‘Blauw, vertel hem de regels,’ beval hij het regenboogmannetje.
‘Nee, we gaan,’ zei Blauw.
‘Gaan?’ vroeg hij een tikkeltje beduusd. ‘Waarnaartoe?’
‘Naar beneden,’ zei Rood, die zichzelf had herpakt. Hij greep Paars bij haar hand en graaide brutaal in de zakken van de mantel van de tovenaar naar witte korrels. Paars lachte, aangespoord door Rood, en deed een greep in zijn andere zak. Haar hand zat vol met zwarte
korrels.
‘Dat is niet van jullie!’ riep de tovenaar kwaad.
‘Jawel! Nu kunnen we tenminste weer mengen!’ riep Oranje.
Terwijl de zwart-witte tovenaar vloekend en tierend achterbleef, renden de regenboogmannetjes en -vrouwtjes naar het touw dat zachtjes in de wind bewoog. Naast Geel piepte het ratje en zonder er verder bij na te denken, pakte ze het op.
‘Het is vol, hoor, in de tas! En niet aan de deksel van de kruik komen!’ lachte Geel.
‘Dus we moeten ons maar laten glijden?’ vroeg Paars, die over de rand van het plateau keek.
Ze slikte en voelde haar hartje roffelen. Dit was diep!
‘We kunnen ook gewoon springen,’ riep Rood enthousiast en duikelde al naar beneden.
Paars volgde hem als eerste; ze gilde van schrik en opluchting.
Voordat ze het in hun broek deden van angst hielden de anderen elkaars hand vast en sprongen het plateau af. Terwijl ze naar beneden suisden, begon het te regenen, de zon piepte langs een wolk. Ze trokken een paar haartjes uit hun vacht en gooiden ze de lucht in.
Rood, oranje, geel, groen, blauw, paars en violet. De regenboog straalde aan de hemel.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Name *