Herfststorm

            ‘Waar ga je heen?’ vroeg haar moeder.

Haar gezicht was rood van het huilen, haar stem klonk schor van het alsmaar sorry zeggen. Geërgerd draaide Anna zich om bij de keukendeur. Het lukte haar niet om vriendelijk te glimlachen. Begin van de middag hadden ze namelijk knallende ruzie gehad over een nieuw paar sneakers die Anna had gekocht van haar zakgeld. Haar moeder vond het geldverspilling. Dat zij het liefst de afdankertjes van de tweedehands winkel aantrok, moest zij weten, maar Anna hield van trendy kleding en dat liet ze zich niet ontzeggen. Haar hele leven stond in het teken van die kloteziekte van haar moeder. Eindelijk had ze eens tijd voor zichzelf. Ze was vast van plan om vanmiddag lol te maken met haar beste vriendin. Een stemmetje in haar hoofd probeerde haar op andere gedachte te brengen, toen haar moeder snifte bij de deur. Ze was weer eens in haar overbezorgde bui. Die kwam altijd in gezelschap van een ander irritant heerschap: het zwarte monster. Zolang Anna zich kon herinneren had haar moeder last van sombere gedachten die, als het herfst werd, uitgroeiden tot een allesvernietigende depressie. De afgelopen jaren kwamen Angsthaas en Paniekfriet op bezoek. Hand in hand, soms onverwachts en soms zag Anna hen al van verre aankomen huppelen. Ze hadden er duidelijk plezier in en hadden, helaas, nooit vakantie. Anna probeerde alles belachelijk te maken, anders overleefde ze het thuis niet.
            ‘Ik ga gewoon naar Elvira. Ben echt wel op tijd thuis voor het eten,’ verzuchtte het meisje dan toch maar. Het stemmetje hield meteen zijn kop; hij had weer gewonnen. Lekker puh.
            ‘Het gaat stormen. Doe voorzichtig. Ja?’ vroeg haar moeder met nadruk.

Ze trok Anna naar zich toe en gaf haar onhandig een knuffel. Anna liet het maar gebeuren; haar moeder weigeren, vond ze wreed. Ze kon er ook niets aan doen dat ze zo bang was.
Bovendien was het een wonder dat ze nog leefde. Anna deed alles om het haar moeder naar de zin te maken en haar af te leiden.

            ‘Ik ga nu, anders kom ik te laat,’ zei Anna. Ze beende snel naar de achterpoort en keek niet meer achterom. Terwijl Anna naar de kroeg liep waar ze met haar vriendin had afgesproken, probeerde ze de gedachten over haar moeder uit haar hoofd te zetten.

Toen ze de deur van Polly Magoes opendeed, zwaaide Elvira lachend naar haar. Haar hart maakte een sprongetje: ze zou proberen niet meer met haar moeder bezig te zijn!

Anna liep naar de bar en bestelde een colaatje. Terwijl ze wachtte, kletste ze met Nick die tegen de rug van zijn vriend leunde. Anna had geknipoogd toen ze hoorde dat de jongens een setje waren. Ze gunde het Nick: hij was een echte vriend. Vlak bij de bar zag ze Zoë die haar stembanden oefende. Ze had zich opgegeven voor een auditie voor The Voice Kids. Soms was Anna wel verbaasd dat Zoë met haar omging; ze verschilden-als-dag-en-nacht van elkaar.

Al haar vrienden waren er, zoals afgesproken. Het voelde fijn en Anna kon eindelijk ontspannen. Ze brulde in Nicks oor dat ze bij Elvira ging zitten, toen ze haar colaatje aannam van de barman. Anna groette haar vriendin met een kus op de wang, en ging zitten.

‘Hey, hoe gaat-ie?’ vroeg Elvira.

Anna haalde haar schouders op en nam een slok uit haar glas. Waarom moest ze nu uitgerekend bij Elvira aan haar moeder denken? Elvira reageerde niet op het bekende gebaar. Ze wilde niets oprakelen en probeerde zo gewoon mogelijk te doen. Die middag hadden ze geappt over de ruzie, en Elvira’s geduld werd zwaar op de proef gesteld. Ze vond de moeder van Anna eigenlijk maar een zeikerd. Het draaide altijd om die vrouw.

‘Ga je zo mee naar Nicks huis?’ begon Elvira.

‘Ik heb het niet gevraagd. Ik heb alleen gezegd dat ik naar jou toe zou gaan,’ zei Anna zachtjes.  

‘Anna! Je had het beloofd,’ riep Elvira, toch onthutst.

‘Ik kan haar niet te lang alleen laten nu ze weer zo is. Sorry,’ prevelde Anna. ‘We kunnen nu toch gewoon kletsen.’

‘Ja, natuurlijk, maar het wordt supervet,’ zei Elvira. ‘Zoë heeft al iets laten horen. Je kan haar toch bellen?’

‘Nu?’

Ja, nu,’ drong Elvira aan. Ze zag aan het gezicht van Anna, dat haar vriendin dat niet van plan was. ‘Oké, dan kan je beter maar naar huis gaan.’ Ze had de zin eruit gefloept zonder erbij na te denken.

‘Naar huis?’ vroeg Anna. ‘Hoezo?’

‘We gaan nu naar Nick,’ zei Elvira. Om hen heen begonnen de anderen hun jassen aan te trekken.

‘Maar jullie zouden toch pas om vijf uur naar Nick gaan?’ vroeg Anna. Achter haar ogen voelde ze tranen die ze meteen wegdrukte. Haar vrienden hadden de afspraak verzet, zonder het tegen haar te zeggen. Mooie vrienden had ze. Anna dronk in een teug haar glas leeg en schoof haar stoel naar achteren. Ze keek haar vriendin woedend aan.

‘Je bent zeker vergeten dat ik altijd tijd voor jou had, toen je vader was overleden,’ siste Anna. Zonder verder op een antwoord te wachten, duwde ze haar vrienden opzij en trok de deur van de kroeg open. Elvira keek haar met een betraand gezicht na. Nu begon het nog te regenen en te waaien ook.

Anna besloot om niet meteen naar huis te gaan, maar ze liep via het schelpenpad naar het haventje van Zwaandam. Ze moest tot rust komen, en ze hoopte dat de regen en de wind haar zorgen mee zouden nemen.

Aan de haven had de wind vrij spel; enkele bootjes schudden flink heen en weer op het water. Losse bladeren stoven over de kade het water in. De wind woei zo hard dat Anna ertegen kon leunen. Eerst was het nog leuk en begon ze te lachen, maar op een bepaald moment kreeg de wind controle over haar benen en voeten en sleurde haar door de straat. Het meisje zwaaide met haar armen om overeind te blijven. Ze moest rennen, de storm bepaalde het tempo. Anna struikelde over haar voeten en knalde met haar knie tegen een gietijzeren armleuning van een bankje. Alsof de storm het expres deed, greep hij haar bij de enkels en trok haar hardhandig bij het bankje vandaan. Anna’s tranen zaten al hoog en het duurde niet lang of die stroomden over haar gezicht. Ze wilde naar huis. Bij de kachel met warme chocomelk.

Onmiddellijk woei het minder hard. Kon een storm wensen vervullen? Anna dacht niet meer na, greep haar kans en rende richting haar huis; ze was er bijna, voorbij de bocht...
Maar de herfststorm speelde een spelletje met het meisje, net als met de blaadjes die door de lucht werden geblazen.
De wind stak weer op; het leek wel of een onzichtbare hand haar bij de pols greep. De wind floot in haar oor: ‘Verzetten heeft geen zin.’

Anna schreeuwde wanhopig tussen haar tranen door. Deze stem klonk als de Angsthaas van haar moeder. Dwingend en allesoverheersend. Ze zat vastgeketend in de wind die haar halsstarrig in de rug bleef duwen. Vóór haar zag ze een tunnel van wolken, die golfde als een draaikolk opdoemen. Anna probeerde opnieuw om uit de greep van de storm te komen, maar de wind was nog steeds de baas en blies haar de tunnel in. Door de kracht van de wind verstapte ze zich en gleed uit over een berg dode herfstbladeren die vrijwel direct verkruimelden onder haar billen. Er ontstond een kuil die haar een comfortabel gevoel gaf: de aarde verwarmde haar en even kon ze uitrusten. Anna zuchtte; tot zichzelf komen, dan kon ze naar huis rennen. Een minuutje maar. Ze had overduidelijk te lang gewacht. De warme gloed onder haar billen werd ijzig koud. Er kwam een diep, donker gat; het meisje kon zich nergens aan vasthouden en suisde in een rotgang naar beneden. Slechts een gil weerkaatste.

Anna schopte met haar benen en kreunde in haar slaap; ze lag op stro op de grond en had een deken van zich afgeslagen. Itar wist niet goed of hij het meisje moest wakker maken. Hij had haar gevonden net buiten de stad, nadat hij ternauwernood zelf aan de soldaten was ontsnapt. Het was een wilde achtervolging geweest door de straten van Samdora, maar Itar was veel sneller dan de soldaten die continue kogels op hem afvuurden. De jongen snapte niet waarom hij niet gewond was geraakt. Misschien bestonden de engelen toch.

Toen hij Anna gevonden had, tilde hij haar overeind en samen waren ze naar een hutje gestrompeld dat Itar kende van zijn jarenlange zwerverstochten door de bossen. Het begon zachtjes te regenen en daar zaten ze tenminste droog. Itar had haar op een bed van stro neergelegd en was daarna zelf gaan slapen.

Nu bestudeerde hij het gezicht van het meisje. Ze kwam niet van hier. Haar kleding en sneakers waren daar het bewijs van. Itar schudde vertwijfeld zijn hoofd. Het was een tijd geleden dat de herfststorm weer was gaan brullen en iemand mee had gesleurd de wereld van Itar in. Wat moest hij met haar?

Wordt vervolgd

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Name *