Sterrenlicht

Liam zat op het dak van het stadhuis en keek naar het marktplein. Het feest was in volle gang. De hele stad was uitgelopen om met elkaar te feesten, te drinken en te sjansen. Meestal werden na negen maanden veel baby’s geboren. Niet dat Liam daarmee bezig was. Het hele carnavaleske feest interesseerde hem geen zier. Hij observeerde, dacht na en rekenende de tijd uit die hij had om een inbraak te plegen. Als hij deze keer de volle buit mee zou nemen, dan werd hij bevorderd tot meesterdief. Dan was iedereen bang vóór hem in plaats van andersom. Hij keek nog eenmaal achterom, greep toen de ijzeren stang beet en liet zich naar beneden glijden langs de regenpijp. Toen hij met zijn tenen de koude stenen voelde, landde hij muisstil op de grond.

Snel rende hij door de straat richting de wijk van de bankiers. Daar, in die wijk zou hij het huis van Van Oirschot binnenvallen. De man was rijk, niet een beetje, maar schathemeltje rijk. Het gerucht ging dat de man zijn geld verdiende met allerlei duistere handeltjes, corruptie en zwendelarij.

Liam kende de weg en aarzelde niet. Elke stap was er één met vertrouwen. Via de achterpoort kwam hij in de tuin van de villa. Hij haalde een spaak uit zijn jaszak en duwde hem in het slot van de deur. Behoedzaam zocht hij de kleine opening, draaide en hoorde de klik. Nu kon hij de achterdeur openen. Via de grote keuken liep hij rechtstreeks naar de wenteltrap. In de werkkamer van de bankier ging Liam vakkundig en rap te werk. Al zijn zintuigen stonden op scherp. Heel cliché: achter een schilderij zat de kluis. Liam grinnikte om zoveel voorspelbaarheid. De man dacht dat hij niet te pakken was. Liam jatte geld, juwelen en nam een kistje mee dat hij later wel zou proberen open te maken. Beneden griste hij de zilveren menora van de tafel, en haalde twee schilderijtjes van Van Gogh van de muur. Nadat hij een appel in zijn broekzak liet vallen, verliet hij het huis via de achterdeur.

 

Liam zette de tas met spullen op tafel en keek uitdagend naar Ruben. Ze zaten in de gemeenschappelijke kamer. Hier en daar zaten jongens onderuitgezakt bij elkaar, zacht pratend en Ruben en Liam in de gaten houdend. Liam knikte naar Ruben. Er was iets aan hem. Normaliter was Ruben de relaxtheid zelve, maar deze keer was alles anders. De sfeer was geladen, alsof elk moment een bom af kon gaan. Rubens blik ging zenuwachtig heen en weer.   

‘Haal je zakken leeg,’ sommeerde Ruben hem en gebaarde driftig met zijn hand. ‘Hij had een apart kistje. Waar is dat?’

‘Wat moet je met dat kistje?’ vroeg Liam en zette het op tafel. Confrontatie. Meteen probeerde Ruben het kistje te grijpen, maar Liam was sneller.

‘Wat is ermee?’ vroeg Liam weer.

‘Hou je kop. Dat kistje,’ zei Ruben en hield zijn hand op. Liam weigerde een seconde te lang en het bloed druppelde al van zijn vingers. Hij vloekte. Ruben had met een mes zijn vingers opengehaald.

‘Dat had je niet moeten doen,’ siste Liam en beukte met zijn vuist in het gezicht van de bendeleider. De meesterdief was in een paar stappen bij het open raam; andere jongens opzij duwend, sprong hij op een afdakje, pakte een ijzeren laag hekwerkje vast en trok zichzelf op het dak. Ruben vloekte en voelde met zijn hand aan zijn onderlip. Liam had hem een tand door zijn lip geslagen.

‘Zal ik hem achterna gaan? Het komt door dat kistje,’ zei een van zijn jongens. Zijn stem klonk onvast. Hij was geschrokken; Liam was geen ruziezoeker. Hij had altijd gedaan wat moest. Er was iets veranderd en dat kwam door dat kistje. Liam was bevangen door een geest. Zijn ogen! Die blik! Verwilderd en vurig. Ruben schudde zijn hoofd en grijnsde leep naar hem en fluisterde: ‘Jij zorgt ervoor dat die andere gasten hier blijven. Ik reken op je.’ Zonder naar de jongens om te kijken, klom hij op het dak. Het was er stil; de vogel was gevlogen. Ruben kon het niet geloven. Liam wilde antwoorden op zijn vragen. Die zou niet weggaan.
‘Liam!’ schreeuwde Ruben. ‘Laat het me uitleggen!’
‘Dat wordt tijd dan,’ antwoordde Liam. ‘Wat moet jij met dat kistje?’ Hij leunde tegen een schoorsteen.
‘Geef ‘t aan me,’ drong Ruben aan. Liam moest lachen. Een lach van de zenuwen en één van een soort gevoel van macht. Voor het eerst was Liam de oudere jongen de baas. Maar het gaf hem een slecht gevoel. Zo wilde hij zich niet voelen. Ruben was toch een vriend? Een broer? Toch wilde de jongen Ruben niet zomaar zijn zin geven en hield het ijzeren kistje aan het handvat, net over de dakrand vast.
Ruben schrok en riep: ‘Je weet niet wat je in handen hebt!’

‘Wat zit erin?’ vroeg Liam.

Het kistje bewoog gevaarlijk heen en weer. Inmiddels waren de andere jongens ook op het dak. Ze duwden elkaar om de beste plek. Ruben hoorde dat ze zijn naam scandeerden. Die gekken dachten dat hier een lolletje werd gemaakt. Dat was dan een heel stomme grap. Als ze zouden weten wat er in dat kistje zat, dan brak de pleuris uit. Inmiddels stond het volk ademloos naar Liam en Ruben te kijken. Hun actie en geschreeuw had de aandacht getrokken van de voorbijkomende feestvierders. Tussen de mensen zag Liam Van Oirschot staan. Naast hem verscheen zijn dochter, samen met de stadswachten. Zelfs vanaf zijn plek op het dak zag hij de spijtige glimlach van het meisje. Van Oirschot had zijn hand in haar nek gelegd. Het zou Liam niet verbaasd hebben, als hij haar hard kneep. Liam realiseerde zich dat hij was gevolgd door Norah. Al die tijd. Ze had hem in de gaten gehouden. Ruben keek naar zijn geschrokken gezicht en zag nog net Van Oirschot het pand ingaan.
‘Ze heeft je gezien,’ raadde Ruben. ‘We moeten weg hier.’
Binnen in het pand klonken geweerschoten. In de chaos die ontstond, ontsnapte Liam. Hij sprong op een dak van een schuurtje en klom via een regenpijp naar beneden. De oudere jongens begonnen te schelden en duwden Ruben bijna van het dak om weg te komen. Maar Ruben kende elke goot, elke losliggende leisteen en rende over het dak als een lenige kat.  

 

Liam kon zich niet veel meer herinneren van zijn jeugd. Wist eigenlijk niet eens of hij wel ouders had. Of een zus of een broer. Hij was altijd alleen geweest. Om in leven te blijven, jatte hij geld, sliep op straat en zorgde dat hij uit de echte problemen bleef. Geen alcohol en geen drugs. Hij had ze gezien: de laveloze jongens en meiden in de goten. Dat wist hij dan nog wel van vroeger: “gebruik je hersens”. Iemand had dat zinnetje in zijn kop geprent. Die persoon was Liam eeuwig dankbaar.

Een korte tijd had hij een vriendinnetje gehad. Een hoertje. Ze had hem verleid en meegenomen naar een plek waar ze de nacht samen hadden doorgebracht. Daar hadden ze uiteindelijk een veilige thuishaven gecreëerd. Een plek waarvan ze dachten dat niemand die ooit zou vinden. Toen hij na een diefstal laat terugkwam, had hij haar dood gevonden. Gewurgd. De dealer had hem opgewacht; hij had hem alleen maar laten leven, omdat Liam zijn buit had afgestaan. Vanaf dat moment vertrouwde Liam niemand meer.

Uitgeput en verslagen was hij een kroeg in gelopen. De sterkedrank had naar hem gelonkt, maar Liam had geweigerd toe te geven aan de verleiding. In een hoekje ging hij aan een tafeltje zitten, zomaar zitten. Ruben met zijn haviksblik en altijd op zoek naar nieuwe bendeleden had de jongen allang gezien. Het feit dat Liam niets dronk, had hem nieuwsgierig gemaakt. Die nacht had Liam zijn keuze gemaakt zich aan te sluiten bij Rubens bende. Het was een simpele beslissing geweest. Of op straat en alleen, of een dak boven je hoofd en samen. Dan toch liever dat laatste.

Er ontstond een vriendschap tussen de jongens die ze allebei geheim hielden. Vriendschap kon een veilige haven zijn, maar ook gevaarlijk. In de krottenwijken was het beter niet te veel mensen te vertrouwen. Helaas was hun broederschap onder druk komen te staan, omdat Ruben baziger en veeleisender werd. Het succes. Het telkens ontkomen aan zijn celstraf. Zijn goed georganiseerde netwerk van advocaten, rechters en rijke kooplui die graag meepikten van de rijkgevulde schalen aan Rubens tafel. Liam had zich geschikt naar zijn grillen en in zijn rol. Maar deze keer was Ruben te ver gegaan.

Liam sprong via het dak van een schuurtje op de grond; hij was in een smal achterpad terechtgekomen. Hun vluchtroute. Achter hem schopte een stadswacht de gammele deur met zijn voet open. Liam keek niet meer achterom en voelde de wind, die een kogel maakte, langs zijn oor suizen. Instinctief dook hij in elkaar. Liam hoefde niet te kijken om te weten dat Ruben hem volgde via de daken van de koopmanshuizen. Nog een klein stukje en dan zou Liam op het marktplein staan, beschut tussen de feestgangers. Halverwege zijn vlucht besloot hij een andere route te zoeken en rende een smalle, donkere steeg in. Hier had hij gewoond, tussen de zwervers voordat hij Ruben had leren kennen. Liam vloekte. Hoe dom was hij geweest? Waarom had hij die gast ooit vertrouwd?

Eén keer had Ruben hem verteld over een ijzeren kistje. Hij had een droom gehad over een engel en het sterrenlicht. Beschaamd en met een rood hoofd had Ruben met horten en stoten erover verteld. Liam had hem niet één keer onderbroken. Slechts alleen maar geknikt. Toen Ruben hem had gevraagd of Liam hem geloofde, had de jongen ja gezegd. Ze hadden het er nooit meer over gehad. Liam had altijd gedacht dat het kistje een verzinsel van Rubens geest was, totdat hij zijn begerige blik vanavond had gezien. Achter hem hoorde hij Ruben naderen; de jongen bleef staan. Hij stond in een doodlopende steeg; hij vloekte.

‘Liam, wacht. Laat het me uitleggen. Alsjeblieft,’ zei Ruben. ‘Hij komt eraan. We hebben niet veel tijd.’

Liam knikte maar. Moe en uitgeput. Maar hij moest zijn kop erbij houden. Niet alles meteen geloven. Vragen blijven stellen.

‘Die droom weet je nog. Die engel en het sterrenlicht. Het is waar. In dat kistje zit dat sterrenlicht. Het brengt ons thuis,’ begon Ruben. Hij lette erop dat hij Liam aan bleef kijken.

‘Thuis?’

‘Thuis. In Rotterdam,’ zei Ruben weer.

‘Rotterdam?’ vroeg Liam, die zijn hoofd schudde. Beelden van een brug. Water. Huizen. 

‘Geef dat kistje aan mij!’ hoorde Liam iemand schreeuwen. Die stem! Hij herkende die stem. Opgefokt. Altijd kwaad. Dreigend. Vragend keek hij Ruben aan. De ogen van Liam traanden. Langzaam vervaagde zijn zicht. Het leek alsof hij dronken was. Het liefst wilde hij gaan liggen. ‘Liam. Kom terug! Hij meent het niet!’ Een wanhopige vrouwenstem. Van ver weg. Zijn kop knalde uit elkaar. Stekende hoofdpijn. Zweet op zijn rug. Liam maaide met zijn hand krampachtig in de lucht en voelde de schouder van Ruben. Zwaar leunend op elkaar keken ze naar de man die hun leven had verwoest. Beelden van herinneringen.

 

Ze waren in de bovenwoning van Kralingen. Van Oirschot stond in de deuropening en had een riem in zijn hand. Het raam stond open. Het woei. De hemel was bezaaid met sterren. Het had Liam verbaasd. Zo’n sterrenhemel zag hij niet vaak in het midden van de nacht in een stad als Rotterdam. Hij vond het raar dat zijn brein dat had geregistreerd. Er stak een storm op. Het gordijn waaide naar binnen en cirkelden om zijn enkels. Ruben sprong voor zijn broer om de slag van de riem op te vangen. Ruben schreeuwde van de pijn, hij keek verbijsterd naar zijn moeder die als een standbeeld was blijven staan. Waarom deed ze niets om zijn vader te stoppen? Ruben sprong altijd voor zijn jongere broer, maar Liam was geen jongentje meer. Hij was nota bene vijftien. Hij kon voor zichzelf zorgen. Dus toen die riem voor een tweede keer kwam, greep hij die en trok eraan. Zo hard dat een helder licht het leer raakte. Eerst vloog Ruben weg en toen die man en toen was Liam verdwenen. De herinnering vervaagde en Liam was weer terug in het hier en nu.

‘Hij heeft het sterrenlicht in zijn riem gedragen en toen in dat kistje gestopt,’ fluisterde Liam.

‘Inderdaad,’ zei Ruben. ‘Hij wil hier blijven…’

‘Omdat hij hier het mannetje is,’ maakte Liam de zin af. ‘Hij mag van mij hier blijven, maar ik wil naar huis.’

Ruben trilde op zijn benen en hield zijn broer vast. ‘Ik ben bang,’ bekende hij.

‘Bang? Jij?’ vroeg Liam.

‘Bang dat het mislukt.’ De stem van Ruben was gebroken.

‘Luister. Wij zijn de jongens uit Rotterdam. We zijn voor niemand bang,’ zei Liam. Het klonk helemaal nergens naar, maar hij moest grinniken van de zenuwen. Ruben herpakte zich en stak zijn vrije hand in de broekzak van zijn broer.

‘Als je dat maar laat!’ schreeuwde Van Oirschot en schoot. Een kogel knalde in een steen, vlak naast Liam. Een nieuw schot volgde. Ondertussen prutsten ze aan het dekseltje.

‘Kom op!’ riep Liam. Maar de deksel bleef dicht. Uit wanhoop schudden de jongens het kistje dan maar heen en weer. Een eerste ster sijpelde uit een kleine opening en schoot in een rechte lijn op Van Oirschot af. Er stroomde bloed uit zijn schouder, de man legde zijn hand op de wond en schreeuwde van paniek. Opnieuw spoot sterrenlicht uit de kist. Er ontstond druk op de deksel die met enorme kracht openvloog. Het sterrenlicht omhulden de jongens en als in een tornado klokten ze weg.

 

Ze hadden verwacht in Rotterdam uit te komen, maar ze stonden in een weiland. Vlak voor hen stond een kleine boerderij met een stal. Koeien, een groentetuin. Ze draaiden zich om en konden zo ver kijken als hun ogen konden zien. In de verte hoorden ze een vrolijke stem van een meisje. Ze droeg een skinny spijkerbroek en een roze t-shirt met LOVE erop. Ook zij draaide zich om, en rende naar haar broers. Ze had het toch goed gezien en niet gedroomd. Een tornado van sterrenlicht.

 

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Name *